Wijnbouwers die resistente druivenrassen telen, kunnen het gebruik van fungiciden aanzienlijk verminderen. Uit acht jaar Frans praktijkonderzoek blijkt dat de behandelingsindex voor fungiciden gemiddeld 79 procent lager ligt dan bij traditionele druivenrassen. Toch waarschuwen de onderzoekers dat de resistentie tegen valse meeldauw bij sommige rassen afneemt.
Onderzoekers van het Franse onderzoeksinstituut INRAE en het Institut Français de la Vigne et du Vin volgden tussen 2018 en 2025 de ontwikkeling van resistente druivenrassen. Het onderzoek vond plaats binnen het OSCAR-project, een netwerk van 199 praktijkpercelen met een gezamenlijke oppervlakte van 127 hectare. In totaal werden 31 resistente druivenrassen gevolgd.
De resistente rassen bleken goed bestand tegen echte en valse meeldauw. Op 98 procent van de onderzochte percelen werden geen symptomen van echte meeldauw aangetroffen. Ook valse meeldauw bleef grotendeels onder controle. Zelfs in 2024, een jaar met een hoge ziektedruk, vertoonde 80 procent van de percelen minder dan 5 procent aantasting van het blad.
Resistentie neemt af
Toch zijn de onderzoekers niet uitsluitend positief. Bij sommige rassen neemt de werking van bepaalde resistentiegenen tegen valse meeldauw na verloop van tijd af. Dat wijst erop dat de ziekteverwekker zich kan aanpassen aan de resistentie van de plant. Bij echte meeldauw werd deze ontwikkeling niet vastgesteld.
Daarnaast neemt de aantasting door zwartrot toe. Deze schimmelziekte wordt bij traditionele druivenrassen doorgaans onder controle gehouden met fungiciden, maar kan bij resistente rassen door het lagere aantal behandelingen meer problemen veroorzaken.
Volgens de onderzoekers blijft gewasbescherming daarom ook bij resistente druivenrassen noodzakelijk. Door de ziektedruk te blijven volgen en waar nodig gericht te behandelen, kunnen wijnbouwers voorkomen dat resistentiegenen hun werking verliezen.






