Oude wijnstokken produceren niet vanzelf druiven met meer aromastoffen dan jongere planten. Dat blijkt uit onderzoek van de Duitse Hochschule Geisenheim en de Universiteit van Bordeaux. De onderzoekers vergeleken rieslingdruiven van wijnstokken met verschillende leeftijden en vonden nauwelijks verschillen tussen planten van ongeveer twintig en ruim veertig jaar oud.
Oude wijnstokken genieten in de wijnwereld een bijzondere reputatie. Ze zouden druiven produceren met meer aroma en een hogere kwaliteit. Wetenschappelijk bewijs daarvoor is echter beperkt. Om de invloed van de leeftijd te onderzoeken, vergeleken de onderzoekers rieslingstokken die in 1971, 1995 en 2012 waren aangeplant in een proefwijngaard in het Duitse Geisenheim.
Alle wijnstokken hadden dezelfde genetische achtergrond, waren geënt op dezelfde onderstam en stonden op hetzelfde perceel. Daarmee konden de onderzoekers de invloed van onder meer de bodem en het druivenras zoveel mogelijk uitsluiten. Gedurende drie opeenvolgende oogstjaren, van 2015 tot en met 2017, analyseerden ze de samenstelling van de druiven.
Meer aromastoffen
Opvallend genoeg bevatten de druiven van de jongste wijnstokken hogere hoeveelheden van bepaalde aromastoffen, waaronder neroloxide, vitispiraan en TDN. Deze stoffen dragen bij aan het aromaprofiel van riesling. Vooral in het eerste onderzoeksjaar waren de verschillen groot.
Volgens de onderzoekers hangt dit waarschijnlijk samen met het kleinere wortelstelsel, de lagere opbrengst en de afwijkende bodembewerking bij de jonge planten. Naarmate de jonge wijnstokken zich verder ontwikkelden, werden de verschillen kleiner.
Tussen de wijnstokken uit 1971 en 1995 vonden de onderzoekers nauwelijks verschillen in de onderzochte aromastoffen. Ook de hoeveelheid flavonolen in de druivenschil bleek grotendeels onafhankelijk van de leeftijd. Het groeiseizoen had daarop meer invloed.
De onderzoekers concluderen dat de leeftijd vooral in de eerste jaren invloed heeft op de samenstelling van de druiven. Daarna lijken de verschillen af te nemen. Ze benadrukken wel dat het onderzoek uitsluitend betrekking heeft op rieslingdruiven uit één wijngaard. Of de resultaten ook voor andere druivenrassen gelden, moet verder worden onderzocht. Bovendien zijn de chemische verschillen in de druiven geen rechtstreeks bewijs voor verschillen in de uiteindelijke wijnkwaliteit.






