Terwijl ik dit schrijf, kijk ik naar het glas voor me. Ik neem de tijd, geniet intens van het moment, de diepe geur en de gelaagde smaak. Wijn is voor mij synoniem aan onthaasting en pure beleving. Maar die idylle staat zwaar onder druk. Het gaat me aan het hart hoe er tegenwoordig in het publieke debat over wijn wordt gesproken. Wijn lijkt tegenwoordig wel synoniem te staan voor alcohol en alles wat negatief is, en dat we maatschappelijk gezien zo enorm verdeeld lijken over dit onderwerp.
Natuurlijk is wijn alcohol. Daar moeten we niet flauw over doen, noch moeten we onze ogen sluiten voor de risico’s van misbruik. Maar er is een cruciaal verschil dat beleidsmakers over het hoofd zien: het anti-alcohol verhaal lijkt neer te dalen op wijn als de kop van jut ‘and so the only one too blame’. Je kunt wijn niet zomaar aan de samenleving ontnemen of via betuttelende regeltjes dicteren wat we wel of niet moeten doen. Het miskent de unieke ziel en de cultuurhistorische waarde van onze sector. Waar de grote, internationale drankmultinationals worden gesteund door kapitaalkrachtige, onzichtbare marketingmachines en ijzersterke lobby’s, staat de gemiddelde wijnboer simpelweg met de laarzen in de modder. Achter die ene fles schuilt een heel jaar lang zwoegen, nagelbijten tijdens de voorjaarsvorst en generaties aan ambachtelijke kennis.
Begrijp me niet verkeerd: ik kan enorm genieten van een ambachtelijke gin-tonic op zijn tijd of een goed glas whisky. Waar de schoen écht wringt, is de stuitende, selectieve verhouding in de huidige maatschappelijke discussie.
Wijn wordt in de media en door beleidsmakers de laatste tijd bijna laconiek weggezet als een simpel ‘wijntje’. Natuurlijk, in die verkleinvorm schuilt van oudsher een stukje Hollandse gezelligheid. Het klinkt ongedwongen en joviaal. Maar tegelijkertijd is het een misplaatst woord geworden dat getuigt van dedain. Het reduceert wijn tot iets triviaals; alsof het gaat om een vloeibaar tussendoortje zonder échte waarde.
Niet elke wijn wil met ‘wijntje’ worden aangesproken. ‘Een glas wijn drinken’ klinkt toch echt heel anders dan ‘een wijntje doen’. Het eerste dwingt respect af voor het ambacht, het tweede degradeert het tot louter een kille rekensom van alcoholpercentages en gezondheidsrisico’s. Alsof een fles wijn een anoniem bulkproduct is dat je puur voor de snelle roes achteroverslaat.
Men zegt in de politiek wel eens: wie geschoren wordt, moet stilzitten. En eerlijk gezegd is dat exact hoe ik mezelf de afgelopen maanden ook heb geuit. Ik hield me gedeisd. Maar in de wijnsector is niets doen simpelweg geen optie meer. Stilzitten betekent echter niet dat we star achterom moeten blijven kijken; we moeten juist slim meebewegen met de tijd. De wereld verandert, en de moderne consument ook. Dat betekent dat we open moeten staan voor innovatie. Voor wijnen met minder alcohol en voor kwalitatieve nul-punt-nul wijnen. Maar méébewegen mag nooit betekenen dat we concessies doen aan onze standaarden. Integendeel: onze missie moet zijn om de wijnen nóg mooier, verfijnder en gelaagder te maken, ongeacht het alcoholpercentage.
Laten we wel wezen: niemand trekt een mooie fles open om zo snel mogelijk laveloos te worden. Dat is een zonde tegen de smaak. Wijn is gefermenteerd landschap. Het is vloeibare cultuurhistorie die inherent verbonden is met de gastronomie, met het goede gesprek en met beschaving. Het is gemaakt om met mate en verstand van te genieten.
Het wordt tijd dat we de verkleinvorm ‘wijntje’ definitief achter ons laten. Laten we niet braaf blijven zwijgen terwijl we geschoren worden. Laten we met hernieuwde trots, met een open blik naar de toekomst, maar met één krachtige stem opstaan voor wat wijn werkelijk is: een van de oudste, mooiste en meest verbindende cultuurgoederen van onze beschaving.





